Kees de schopper (de bankzitter)
Zou hij nou een lintje krijgen, na zijn waarschijnlijk honderdvijftigste wedstrijd op de bank? Hij grinnikte om zichzelf. Je moet nu eenmaal de moed erin houden, dacht hij. Er komt een moment dat de trainer zegt: “Jack uit, warmlopen.” Hij herhaalde die zin soms in zijn hoofd, als een soort mantra. Ooit zou het echt gebeuren.
In dat warmlopen was hij trouwens best goed geworden. Dat kon hij heel sierlijk, bijna elegant, met soepele passen langs de lijn. Soms stelde hij zich voor dat het publiek eigenlijk voor hém klapte. Wel merkte hij steeds vaker dat hij werd toegeroepen en uitgelachen. “Beter stretchen, dan lukt het wel!” riepen ze dan. “Pas op dat je niet overbelast raakt van al dat warmlopen, Kees!” Het was eigenlijk ook bijna grappig. Laatst liep hij bijna twintig minuten warm, maar kwam er toch niet in.
“Sorry Kees,” had de trainer na afloop gezegd, terwijl hij al half naar de kleedkamer keek, “ik wilde je er in brengen als slot op de deur, maar door die tegengoal moest ik wel een aanvaller erin brengen.”
Hij was geen aanvaller, maar een verdediger. Een echte, met twee benen erin als het moest. Zijn type speler was uit de mode geraakt, had iemand eens gezegd. Alsof je een oude jas was die je nog even bewaart voor als het écht koud wordt. Dat hij niet veel vaker mocht invallen, was eigenlijk nogal vreemd. Sterker nog, hij hoorde eigenlijk in de basis. Maar als je daarover gaat klagen, dan weet je het wel. Dan kun je het uittekenen: ga jij maar achteraan zitten op de bank. Nog één keer zo’n geintje en dan is het de tribune als plek voor jou.
Niet dat hij niet hard trainde. Integendeel. Hij buffelde en liep bij alle conditie-oefeningen vooraan, echt vooraan. In de kleedkamer grapten ze weleens dat hij kampioen was in de voorbereiding. Hij wist ook wel: zijn techniek was niet verfijnd. De bal sprong soms net wat te ver van zijn voet, zijn aanname was nooit helemaal zacht. Uren en uren had hij daaraan gewerkt, op veldjes achteraf, alleen, met een zak ballen. Maar het schoot niet echt op. Je hebt stilisten en zwoegers, en hij hoorde tot de laatste categorie.
“Ik had eerder moeten beginnen met trainen,” dacht hij vaak. “Dan was ik vast verder gekomen.” Hij had wel meer domme dingen gedaan in zijn leven, maar hier had hij echt last van. Toch was het al wat, dat hij zover was gekomen dat hij überhaupt op de bank zat. Anderen haakten af in de jeugd, hij zat hier nog steeds, vlak bij het veld. Vlak bij het moment waarop alles kon kantelen.
Hoorde hij het nou goed? Ja. De trainer draaide zich om, keek langs de rij gezichten en riep: “Kees, warmlopen! En doe je jack maar alvast uit, je komt erin!” Er klonk een kort gejoel vanaf de bank, half plagerig, half oprecht.
Dit was het moment. De lijnen langs het veld leken witter dan anders, het gras groener. Hij voelde zijn hart bonzen in zijn keel terwijl hij versnelde langs de zijlijn. Schoppen als het moet, die opkomt voor zijn poten. Dat ging hij doen. Geen mooie praatjes, geen sierlijke hakjes, gewoon erin, alles geven.
“Ik ben Kees, de schopper,” zei hij zacht tegen zichzelf, terwijl hij nog één keer zijn knieën hoog optrok, “en ik schop waar het kan. Watch me, people.”


