Hoogtevrees
“Het pad was goed begaanbaar,” hadden ze gezegd.
“Voor de zekerheid: ga niet op je slippers.”
Ja, me zuster, op je slippers! Alhoewel, er zijn van die mensen. Mensen die overal licht over denken, tot het ineens niet meer licht is.
Het pad was dan wel begaanbaar, maar ook erg smal.
Het was ooit aangelegd voor personeel van het waterbedrijf en eigenlijk gewoon een watergang, uitgehakt langs de flank van de berg. Links de wand, ruw en vochtig. Rechts de leegte.
Hij had echt nooit last gehad van hoogtevrees.
Een mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest. Of zoiets. Hij had die uitspraak altijd een beetje flauw gevonden.
Hij was normaal nooit bang, echt niet.
Maar nu: één misstap en hij lag eraf. Geen reling, geen tweede kans. Alleen lucht.
Waarom moest hij eigenlijk die berg op? Hij kwam uit de polder. Daar was alles vlak, overzichtelijk. Hier bewoog zelfs de grond onder zijn voeten in zijn verbeelding. Wat deed hij hier? Wat moest hij hier?
Iedereen liep fluitend langs hem heen, of hij even plaats wilde maken. Inhalen op zo’n smal pad, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Hij drukte zich zo dicht mogelijk tegen de wand, voelde het koude gesteente door zijn jas heen.
Om zijn moeder te gaan smeken en roepen was kinderachtig. Dat zou hij nooit doen. Nou ja, nooit… niet snel. Hij hoorde zichzelf al, en schaamde zich bij voorbaat.
Zou het helpen als zijn moeder van bovenaf, hoog daar in de wolken, even steun gaf? Gewoon een hand op zijn schouder, zoals vroeger, zonder woorden.
Hij mompelde heel zacht: “Moedertje lief, denk aan mij.”
Zo zacht dat het bijna oploste in de wind.
Voorlopig zat er weinig op dan doorgaan. Hij keek op zijn nieuwe wandelhorloge, goed bestand tegen regen.
Als hij doorliep, zou hij voor het donker thuis zijn. Dat hield hij zichzelf voor, ook al wist hij dat het niet klopte. De berg trok zich niets aan van tijd.
Langzaam begon het op te vallen. Daar liep een volwassen man die om zijn moeder riep. Eerst zacht, bijna onhoorbaar, maar daarna harder, steeds harder.


