Hete dagen
Om vijf uur in de ochtend – hij was net zwetend wakker geworden – was het al heet.
Normaal koelt de nacht af en kun je weer wat op adem komen.
Oké, het is nu vijf uur en er zijn zeker nog zo’n zeventien hete uren voor de boeg.
De airco zou de redding zijn, maar die was er niet.
Wat doe ik hier? Waarom ben ik niet gewoon thuis?
Hij droomde van een koele duik in een zwembad.
Goed idee, maar dat was hier ook niet: een zwembad.
Niet klagen maar dragen, dat is een mooi gezegde.
Maar niet voor hem geschikt; hij klaagde wél.
Goed ademen, zou dat helpen?
Niet hyperventileren.
Als je ergens geen aandacht aan besteedt, dan…
“Hou maar op,” mompelde hij. “Met dat soort redeneringen hoef je bij mij niet aan te komen.”
Als het te warm is, vallen de mussen van het dak.
Nu goed opletten of hij ergens iets zag neerstorten, vogels bijvoorbeeld.
Wat een rare gedachte.
Zou hitte je langzaam gek maken?
Dat zou zomaar kunnen, dacht hij, terwijl het laken aan zijn rug bleef plakken.
Er werd geklopt op zijn hotelkamer.
Hij schrok van het geluid; even was hij vergeten dat er nog een wereld buiten deze kamer bestond.
“De directie wil u graag wat water aanbieden en een extra ventilator,”
klonk het achter de deur.
“Het is vandaag uitzonderlijk warm, en dat zegt iets, want wij zijn hier wat gewend.”
Even later stond er een plastic fles water op het nachtkastje en een oude ventilator naast het bed.
Hij stak de stekker in het stopcontact.
Een droge knal, het licht flakkerde; kortsluiting – dat was de ventilator.
“Ach, laat ook maar,” zei hij hardop, zonder precies te weten tegen wie.
Hij ging weer op het bed zitten, de fles in zijn hand.
“Ik maak me gewoon niet meer druk,” besloot hij.
“Ik wacht tot ik langzaam smelt.”
Hij keek op zijn telefoon.
Nog maar zestien uur te gaan.


