De dierenvriend
Ik weet niet waar het vandaan kwam, maar hij was gefascineerd door honden. Niet een beetje ook. Zelf had hij er geen; zijn flatje op vier hoog was niets voor een dier. Te klein, te stil, te veel trap. Als het even kon, liet hij honden uit voor buren en kennissen. Het liefst liep hij met grote honden. Dan voelde hij zich anders. Groter ook, alsof hij ergens bij hoorde.
Honden willen altijd spelen. Dat beviel hem. Iets in die vanzelfsprekendheid. Laatst liep hij met de hond van zijn oom, en die liep voor geen meter. Bleef staan, keek om, zuchtte bijna. Sommige honden zijn zo lui; die liggen het liefst de hele dag met hun poten omhoog, alsof het leven ze al genoeg heeft gedaan. Dat was natuurlijk ook niet gek. Een hondenleven is helemaal niet zo slecht. Eten, slapen, een beetje waken. Bereid zijn om voor de baas te vechten — nobel, zeker. En ook een beetje dom, maar leg dat maar eens uit aan een hond.
Honden zijn trouw. Daar had hij zelf weinig mee. Als hij een hond was, zou hij niet luisteren. Al stuurden ze hem elke dag naar training, hij zou zijn eigen plan trekken. Toch deed hij honden altijd aan de lijn. Voor je het weet bijten ze de buurvrouw in haar mooie kuiten. En als het gebeurt, kijken ze jou aan. Altijd jou.
Wandelen met een hond is best link. Misschien moest hij maar eens een andere hobby zoeken. Van rechts kwam opeens zo’n boxer op hem af, strak in het lijf, kop laag, ogen vast. Die wilde hem te grazen nemen, dat voelde hij meteen. Hij spande zich aan, dacht nog: misschien moet ik hem gewoon een schop geven. Hard ook. Het idee bleef even hangen, vreemd genoeg.
Hij was dus eigenlijk geen hondenliefhebber. Dat beeldde hij zich maar in. Ik kan best leven zonder honden, dacht hij. Maar die gedachte maakte hem, merkte hij, stiller dan hem lief was. Zwaarder ook.
Een hond laat je niet in de steek.
Voor hem liep een man met vier honden tegelijk. Ze bewogen als één geheel om hem heen. Hij voelde een korte, scherpe steek van jaloezie. Goedmoedig knikte hij. “Mooie dag vandaag.”
De man liep door zonder op te kijken.
Zijn schouders zakten een beetje in. Zonder hond stelde hij niet veel voor. Dat was wel duidelijk.


