De bokser die bijna won
Hij loerde scherp door zijn handschoenen heen.
“Die gast tegenover hem heeft een gemene uppercut. Eén keer op mijn kin en ik ben weg.”
Bang was hij niet. Dat had hij lang geleden al afgeleerd. Angst maakte je langzaam. Twijfel maakte je zwak. Als je in de ring staat, moet je er staan. Klappen krijg je toch. Zoals zijn trainer hem leerde: wees niet zo bang voor een klap.
“Die gast is snel, verdomd snel. Hij draait en hij draait maar.”
Hij begon een behoorlijke hekel aan zijn tegenstander te krijgen.
“Wat een aansteller. Blijf nou maar even staan, dan raak ik je.”
Hij zette druk, stap voor stap. Probeerde hem vast te zetten. Maar steeds glipte hij weg. Net buiten bereik. Alsof hij hem expres liet missen.
Zijn kaken spanden zich. Dit begon irritant te worden.
In een fractie van een seconde dacht hij aan zijn trucenboek. Boksen is meer dan alleen slaan; het is schaken. Het is een mindgame.
“Speel met zijn hersenen en je speelt met zijn lijf.”
“Sla twee keer hoog en dan opeens laag. Heel laag. Dat werkt altijd. Nou ja, bijna altijd.”
Hij haalde uit. Eén keer hoog. Nog een keer. De ander dekt.
Nu laag—
Opeens wordt het een beetje donker.
“Die klap kwam aan, holy moly.”
Hij zag hem niet aankomen.
Zijn hoofd schoot opzij. Alles tolde even. Hij knipperde, probeerde scherp te blijven.
“Die grote motherfucker, nou gaat-ie dood.”
Hij sloeg terug. Hard. Bovenop zijn neus. Raak. De ander hapt naar adem en begint licht te wankelen.
“Die gast heeft niet lang meer; hij krijgt dat-ie deze wedstrijd met mij is aangegaan.”
Hij voelde het momentum kantelen. Dit was zijn moment.
Nog een beuk, ditmaal in zijn maag. Keihard. Hij hapt naar adem.
“Dit had-ie niet moeten doen. Nu ging-ie te ver. Dat is zijn dood.”
Hij zet nog een stap naar voren. Nog één klap. Nog één en het is klaar.
Maar zijn benen voelen zwaar. Te zwaar. Alsof ze niet meer willen.
Het geluid om hem heen zakt weg. Alleen nog een doffe ruis.
Hij hoorde alleen maar een plofje.
En alles ging op zwart.


